Martin Versteeg een eigenzinnige havenondernemer

02 november 2017

 

“Ze willen toch dat we langer doorwerken, dan zullen ze het weten ook.” Martin Versteeg (66), directeur van veembedrijf CWT Europe B.V. weet nog van geen ophouden, al komt de AOW al een jaar binnen. Hij zal zijn mening nooit onder stoelen of banken steken.

Versteeg“Je kunt het zelf, baas zijn en eigenaar.” Met die gedachte verliet Versteeg in 2002 samen met een aantal collega’s Cornelder – in die tijd het grootste controle- en veembedrijf in de cacao ter wereld − en startte zelf Sitos op. In 1974 was hij bij Cornelder Amsterdam als werkstudent begonnen en opgeklommen tot commercieel directeur van Cornelder Holding in Rotterdam (1995). Versteeg: “In de jaren negentig werd duidelijk dat de cacaowereld ingrijpend aan het veranderen was. Er vond een forse schaalvergroting en consolidatie plaats die er uiteindelijk toe leidde dat er nu in de cacao-industrie nog maar een paar spelers zijn overgebleven: OLAM, Cargill ECOM en Barry Callebaut. Datzelfde gold voor de handel en de logistiek. Het zakgoed als stukgoed maakte plaats voor bulk en zakgoed in containers. Alles werd scherper, transparanter en grootschaliger in die tijd. Als nieuwkomer bouwden we nieuwe loodsen en gaven ruim baan aan automatisering en mechanisering, met veel minder personeel. Het ging goed met Sitos, uitstekend zelfs. Maar in 2008 hebben we een deel verkocht aan CWT uit Singapore om meer groeikapitaal aan te trekken. Vanuit Amsterdam sturen wij inmiddels vestigingen in West-Afrika, Turkije, België, Engeland en Rotterdam aan.”

Cacao en Amsterdam: hoe gaat het nu?
Door de eeuwen heen was Amsterdam een flexibele stukgoedhaven, met een bloeiende veemgemeenschap en overslagfunctie, die niet alleen de hier aanwezige industrie bediende,  maar ook opslagruimte bood voor de Londense termijnmarkt. Amsterdam is nog steeds dominant in de cacao, maar minder. Er vindt meer verwerking in oorsprongslanden plaats en dat is prima. Bijvoorbeeld in West-Afrika heeft CWT al 200 tot 300 man zitten die zich bezighouden met kwaliteitscontrole, opslag en handling van cacao en halffabricaten. Dat is allemaal Amsterdamse expertise die er mede voor zorgt dat veel cacao hiernaartoe komt, zodat Amsterdam de Europese ‘gateway’ voor cacao kan blijven.”

“Zorgelijk is wel dat door de containerisering van de cacao Amsterdam zijn functie als zeehaven is kwijtgeraakt. De cacao-containers komen nu veelal per binnenvaart uit Antwerpen en Rotterdam. Dat maakt kwetsbaar. Een haven zonder volwassen containeroverslag is geen haven. En het restje containers dat nu nog via IJmuiden binnenkomt is te versnipperd over de diverse terminals. Laat het havenbedrijf initiatief nemen, en die containers bij elkaar zetten waardoor je een beetje schaal krijgt. Zo is ECT in Rotterdam uiteindelijk ook begonnen, daar zagen ze een halve eeuw geleden dat je het samen moet doen. Laat het havenbedrijf investeren in equipment. Er zijn kansen zat, bijvoorbeeld in de shortsea. Toon daadkracht, haal business binnen en profileer je op een andere manier dan fraaie strategieën te verzinnen.”

“We hebben recent kunnen zien dat de haven het niet moet hebben van de expertise in de gemeenteraad – één hype, één pennenstreek en in één klap moeten alle kolen weg − of van de onvoorwaardelijke steun van de wethouder Haven. We hebben een ondernemend Havenbedrijf nodig en een wethouder die vecht voor de haven en niet iemand die de haven als een probleem ziet. Die bruggen gaat bouwen waar ze niet nodig zijn.” Versteeg zwijgt even, en zegt dan: “Ook nieuwe omgevingsvergunningen in Amsterdam zijn een rem en daardoor dreigt het cacaomarktaandeel af te kalven richting vooral Hamburg en Antwerpen. In Antwerpen en in Engelse havens werken ze met parapluvergunningen. Dat wil zeggen dat de haven een compleet milieuplan bij de overheid heeft ingediend waarbinnen de havens zelf vergunningen afgeven. In Amsterdam wordt elk initiatief apart beoordeeld. Dat heeft ervoor gezorgd dat wij veel minder cacao opslaan dan we kunnen en willen, omdat er geen brandweervergunning is verleend. Dus wijken we uit naar elders.”

Duidelijk. Nog even over cacao. U bent bestuurslid van European Cocoa Association in Brussel?
“De ECA is een lobbyorganisatie in Brussel − met daarin verwerkers, handel en logistiek − die zich sterk maakt voor andere trends die de laatste decennia spelen, zoals duurzaamheid, voedselveiligheid en ‘tracebility’. En ook voor het verbeteren van de leefomstandigheden van de cacaoboeren in de productielanden. De hele cacaowereld heeft die draai gemaakt om het inkomen van de boeren en de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs op een redelijk niveau te krijgen. Ook uit welbegrepen eigenbelang: als je niets doet kan de productie verdwijnen. Het besef is er dat iedereen moet kunnen verdienen. En die inzet werpt ook vruchten af, maar met een zak geld kun je niet alles. Je stuit ook op cultuur en infrastructuur. Daarvoor is de steun van de plaatselijke overheden onontbeerlijk, maar ook van de EU, de VS, het IMF en ngo’s.”

“Hoezeer grote processors ook nieuwe landbouwtechnieken introduceren, toch gaat de productiviteit in West-Afrika niet echt omhoog. Er zijn veel kleine boertjes, die heel extensief boeren, met oude bomen in slechte conditie die veel ruimte innemen en een groot beslag doen op kunstmest, pesticiden en water. In Midden-Amerika wordt het plantageachtig aangepakt en halen boeren op een veel milieuvriendelijkere manier wel 1.500 kilo van een hectare, in West-Afrika maar 350. Een groot probleem in Afrika is ook de trek naar de stad van jonge mensen. Dat is fnuikend voor de plattelandseconomie.”

Is chocola nog altijd een groeimarkt?
“Chocola is een luxeartikel en omdat de wereldbevolking gemiddeld het inkomen ziet toenemen, was de verwachting dat de vraag explosief zou stijgen. Iedere Chinees één reepje per maand en het is niet aan te slepen. Maar die explosieve groei is in de praktijk uitgebleven. Eten van chocola heeft toch met cultuur te maken en die concentreert zich als vanouds op Europa, Rusland en de VS.”

U bent 66. Staat een opvolger al te trappelen?
“Die opvolgers zijn er. Daarnaast kan ik nog wat ondersteunend werk verrichten, steeds meer vanuit huis. Vindt mijn vrouw ook erg leuk... Een overgangsperiode van twee jaar bleek voldoende, zo’n periode moet niet te lang duren. Daarbij, de opvolgers mogen hun eigen fouten maken.”

Over fouten gesproken. Wat hebt u, terugkijkend, niet goed gezien in uw loopbaan?
‘Ja fouten, grootste fout. Wat ik niet goed gezien heb is… ja, ik heb altijd gedacht dat persoonlijk contact belangrijker was dan het onpersoonlijke contact, zoals via moderne communicatiemiddelen. Dat is niet zo. De huidige generatie hecht minder aan die persoonlijke contacten dan wij dat deden. Daarmee is de gunfactor minder. Daarmee was het vroeger niet minder hard, want dat was het altijd al. Maar het is nu onpersoonlijker. Dat heb ik onderschat. Ik zie bij generatiegenoten – vijftigers, zestigers – hetzelfde. Onder de veertig is het een heel nieuwe generatie.”

En wat heeft u goed gezien?
“Ons succes, en dan heb ik het ook over mijn partner Dick de Bruin, is een combinatie van ambitie en opportunisme. Dat uit zich in wat we hebben neergezet. De durf om niet alles tot drie cijfers achter de komma uit te rekenen, maar nieuwe markten op te gaan en met een nieuwe aanpak. We durven te veranderen, en dat durven we nog altijd. Dat willen klanten ook zien, actie.”